Techniek

In Weet Magazine: Ballonvaren vogelvrij de lucht in

op

De laatste checks worden gedaan. Het gaat bijna beginnen. Voordat je er erg in hebt, stijgt de ballon op en ben je los van de grond. Alles wordt steeds kleiner, het uitzicht ruimer. Het is begonnen. Maar wat komt daar allemaal bij kijken? Hoe kan zo’n groot object in de lucht blijven zweven? Kijk mee in de wereld van het ballonvaren.


Daar staan ze dan, op het veld; slechts een paar ‘kleine’ pakketjes. Een rieten mand, een grote zak, gasflessen, een brander en een ventilator. Voor passagiers is het vaak moeilijk voor te stellen dat zo’n drie kwartier later een reusachtige luchtballon klaarstaat om ze door het luchtruim te vervoeren. De piloot – want zo mag je een ballonvaarder noemen – checkt voor de laatste keer de weersverwachting, waarna het opbouwen begint. De spanning stijgt naarmate de ballon verder met koude lucht wordt gevuld. Piloot en crew brengen een ‘parachute’ aan in de top van de ballon, waar eerst nog een groot gat zit. Dat is geen normale parachute zoals je die waarschijnlijk wel kent, maar een klep die met klittenband wordt vastgehecht. Als de ballon voor driekwart gevuld is met koude lucht, ontsteekt de piloot de branders. Niet veel later staat de ballon overeind en mag je instappen. De piloot stookt de ballon goed heet en dan is het zover. „Fijne vaart!” wensen de snel kleiner wordende toeschouwers je toe. Eenmaal in de lucht is de ballon overgeleverd aan de wind. Het avontuur is begonnen!

Veilig?
Daar hang je dan. Als je er even goed over nadenkt, is dat best bizar. Sommige luchtballonnen tillen meer dan tweeduizend kilo naar boven. Is dat niet eng? Nee hoor. Ballonvaren is juist ontzettend veilig. Ook heb je geen last van hoogtevrees, omdat je geen contact hebt met de aarde. De ballonmand is voor de meeste mensen hoog genoeg, dus dat geeft ook een gevoel van veiligheid.
De mand is een stevige constructie, gemaakt van wilgentenen en rotan die met de hand gevlochten zijn. Het zijn lichte, sterke en buigzame materialen. Daarom is het dus een logische keuze voor ballonfabrikanten. De mand, die in de fabriek met de hand gevlochten wordt, hangt met roestvaste staalkabels aan het frame van de brander, dat op zijn beurt weer vastzit aan de ballon. De ballon wordt in de fabriek met een naaimachine gemaakt. Over de ballon lopen horizontale en verticale polyester banen (loadtapes) in een blokpatroon. Deze loadtapes kunnen per stuk minimaal een ton tillen. Meestal lopen de verticale banen aan de buitenkant van de ballon en de horizontale aan de binnenkant. Ze versterken de ballon en zorgen ervoor dat die niet gaat scheuren. Mocht er toch een scheur of brandgat in komen, dan kunnen die niet in de hele lengte of breedte doorscheuren of doorbranden. Bij de grens van het blok stopt het branden of scheuren.
De onderkant van de ballon is gemaakt van Nomex. Dat is een brandwerende stof die ervoor zorgt dat de ballon geen vlam vat. Dit is een ijzersterke combinatie en ontzettend veilig. De branders zijn dubbel uitgerust, dus mocht er eentje uitvallen, dan is er altijd nog een tweede. Ieder jaar wordt de luchtballon uitvoerig gekeurd, maar dat kan ook eerder; wanneer deze binnen het jaar honderd vaaruur heeft.

Op weg naar het onbekende
In de lucht is het stil. Dat maakt ballonvaren zo bijzonder. De brander is het enige wat je af en toe hoort. De vlam van zo’n 2,5 à 3 meter zorgt ervoor dat de lucht in de ballon op temperatuur blijft of warmer wordt, zodat de ballon stijgt. In de mand staan meestal drie of vier gasflessen met gemiddeld veertig liter propaangas. Een dun pijpje voedt de waakvlam en een dikkere pijp voert het gas naar het hogedrukventiel. Als de piloot dat ventiel opentrekt, ontstaat er een vlam. Er wordt nog even verschrikt opgekeken, maar het went snel.

Het is overigens helemaal niet koud in de lucht. De gevoelstemperatuur kan zelfs warmer zijn dan beneden op de grond. Je voelt namelijk geen wind, want je beweegt met de wind mee. Je zou dus gerust de krant mee kunnen nemen, zonder dat die wegwaait.
Een van de passagiers vraagt waar de ballon gaat landen. Daar kan de piloot geen antwoord op geven. „Elke vaart is weer een verrassing. Een luchtballon kan niet gestuurd worden zoals een auto of een vliegtuig, je bent volledig afhankelijk van de wind. Er zit tenslotte geen motortje in de luchtballon. Daarom noem je het ook varen en niet vliegen.” De piloot kan wel gebruikmaken van de windrichtingen in verschillende luchtlagen en zo een beetje de richting bepalen, al is dat verschil vaak maar klein.
Dit is een selectie uit een artikel dat verscheen in Weet Magazine.

Meer weten? Je leest het in Weet Magazine april 2017.