Nieuws

In Weet Magazine: Hoe ‘bouw’ je een vogel?

op

Vogels, insecten, vleermuizen en zelfs de uitgestorven pterosauriërs zijn (en waren) de heersers van het luchtruim. Ieder dier vliegt op zijn eigen manier: de kolibrie flappert enthousiast met zijn vleugels, terwijl de buizerd zich statig door de thermiek omhoog laat voeren. Volgens naturalisten zijn al die vliegers vanzelf ontstaan. Hoe geloofwaardig is dat als je kijkt naar wat er nodig is om te vliegen? Anders gezegd: hoe ‘bouw’ je een vogel?


Wanneer een vliegtuig zich klaarmaakt om te landen, worden de ‘flappen’ aan de achterkant van de vleugel naar beneden toe uitgeschoven. Hierdoor mindert het vliegtuig vaart, zodat het veilig kan landen. Hieraan kun je zien dat het vliegtuig bewust zo is ontworpen. Nu een zwaan: als die gaat landen, doet hij iets vergelijkbaars. Hij vouwt de veren aan de achterkant van de vleugels naar beneden. De overeenkomst met de werking van vliegtuigvleugels is groot. Het enige verschil is eigenlijk dat de vleugels van een zwaan veel flexibeler en veelzijdiger zijn dan metalen vliegtuigvleugels. En toch denken veel mensen dat de zwaan (en alle andere levende wezens) toevallig zijn ontstaan, zonder dat daar een ontwerper aan te pas kwam. Hoe vreemd dat is, wordt pas echt goed duidelijk als je gaat kijken naar wat er allemaal moet kloppen om een dier te kunnen laten vliegen.

Ontwerp
Als je een vliegtuig zou moeten maken, waar zou je dan rekening mee houden? Het mag niet te zwaar zijn, dus je moet lichte, holle materialen gebruiken. Maar die materialen moeten ook stevig zijn, dus heb je stutten en driehoekconstructies nodig. Wist je dat dat precies is wat je bij vogels vindt?
De meeste vogels hebben holle botten. Die botten zijn vanbinnen versterkt met ‘dwarsbalken’ die in een stevig driehoekpatroon zitten. Alleen een paar watervogels, zoals de geelsnavelduiker, hebben deels solide botten om de klap op te vangen als ze van grote hoogte in het water plonzen.
“Flamingo’s en vliegtuigen hebben meer gemeen dan je denkt.”

Vogellongen
Vogels hebben geen twee longen zoals mensen, maar één long, met luchtzakken daaraan verbonden. Het mooie van dit systeem is dat sommige van die luchtzakken vol kunnen zijn, en andere tegelijkertijd leeg. Op die manier kan een vogel zelfs als hij uitademt toch nog zuurstof en koolzuur uitwisselen met het bloed. Dat is belangrijk, want vogels verbruiken tijdens het vliegen veel energie. Daar is ook veel zuurstof voor nodig en door dit systeem kan de stofwisseling continu doorgaan.

Klapwieken
Vogels hebben sterke vleugelspieren. Die zitten vast aan het borstbeen (sternum). De grote borstspieren trekken de vleugel omlaag. Deze spieren geven de vogels hun vliegvermogen, en moeten dus heel sterk zijn. Dat zijn ze ook. De grote borstspieren wegen tot 15% van het totale gewicht van de vogel. Er zitten ook iets kleinere spieren aan het borstbeen vast, de kleine borstspieren. Die trekken de vleugels omhoog. Dat zit heel ingenieus in elkaar: die spieren zijn aan de vleugelbotten verbonden met een pees, die door het zogenoemde vorkbeen loopt naar de bovenkant van het vleugelbot. Door deze spier aan te trekken (naar beneden toe) krijg je een soort katrol dat de vleugel omhoogtilt.