Mens

Schaatswetenschap

Door

op

Hoewel schaatsen al bijna 100 jaar onderdeel is van de Olympische Spelen, is er nog veel onbekend over wat er zich precies onder de voeten van de schaatsers afspeelt. Twee natuurkundigen uit Leiden denken weer een stukje van die puzzel te hebben opgelost.

Een schaatser drukt met zijn hele gewicht op een dun stukje ijzer. De druk onder de schaats is daardoor behoorlijk hoog. Door die hoge druk smelt het ijs, en het laagje water dat zo ontstaat, werkt weer als glijmiddel voor de ijzers. Dit effect staat ook bekend als ‘aquaplaning’. Maar volgens de natuurkunde van aquaplaning wordt de wrijvingskracht hoger als de snelheid toeneemt. Hoe kunnen Olympische schaatsers dan toch snelheden van meer dan 60 kilometer per uur halen?

De Leidse natuurkundige Hans van Leeuwen bedacht zich dat er misschien wel meer aan de hand was. Hij ontwikkelde een theorie, die zijn collega Tjerk Oosterkamp in de praktijk aan het testen is. Van Leeuwen ontdekte door literatuurstudie dat het ijs onder de druk van de schaatser sterk vervormt, maar dat die vervorming minder is bij hogere snelheden. De schaats zakt dan minder diep in het ijs, waardoor de weerstand lager wordt. Oosterkamp heeft nu een proefopstelling gebouwd om de theorie van Van Leeuwen te testen. Omdat er voor dit onderzoek geen geld beschikbaar is, voeren de natuurkundigen het uit als een ‘vrijdagmiddagprojectje’. Mogelijk gaan ze een crowdfundingactie op touw zetten om wat meer onderzoekstijd vrij te kunnen maken voor de schaatswetenschap.